Ras: Duitse Herder
Oorsprong: Duitsland
F.C.I.-classificatie: groep 1 - herders- en veedrijvershonden sectie 1 -
herdershonden met werkproef
Gebruik: veelzijdige gebruiks-, herders- en dienstgebruikshond.
Gem. Leeftijd: 12-13 Jaar
Herkomst:
De
Duitse Herdershond is van origine een herdershond voor het hoeden van schapen.
Nog steeds vinden in Duitsland jaarlijks kampioenschappen voor hoedende Duitse
Herdershonden plaats. Het motto van Von Stephanitz, de oprichter van de Verein
für Deutsche Schäferhunde (1899) was: “geschiktheid voor het werk is het enige
criterium voor schoonheid”. Met dit kynologische concept, dat voortbouwde op de
werkeigenschappen van de Duitse herder legde hij de basis voor het meest
geliefde ras ter wereld.
Algemeen
verschijningsbeeld:
De
Duitse Herdershond is middelgroot, licht gestrekt, krachtig en goed gespierd,
de knoken zijn droog en de totaalstructuur is vast. Belangrijke verhoudingen in
maat: De schofthoogte bedraagt voor reuen 60 tot 65 cm, bij teven 55 tot 60 cm.
De romplengte overtreft de maat van de schofthoogte met ongeveer 10 tot 17%. .
Karakter:
De
Duitse herdershond moet in zijn karakterbeeld evenwichtig, zenuwvast,
zelfverzekerd, absoluut onbevangen en (zonder prikkeltoestand) volkomen
goedaardig zijn. Daarbij is hij opmerkzaam en handelbaar. Hij moet moed,
strijddrift en hardheid bezitten om als geleide-, waak-, verdedigings-,
dienst-, en herdershond geschikt te zijn.
Kop:
De
kop is wigvormig, in overeenstemming met de lichaamsgrootte (ongeveer 40% van
de schofthoogte), zonder plomp of overstrekt te zijn, in het totaal droog en
tussen de oren matig breed.
Het voorhoofd is van voren en van opzij gezien slechts weinig gewelfd en zonder
of slechts met zwak aangeduide middengroef.
De verhouding tussen bovenschedel en gezichtsgedeelte bedraagt 50% - 50%. De
breedte van de bovenschedel komt ongeveer overeen met de lengte van de
bovenschedel.
De bovenschedel gaat (van boven gezien) van de oren tot de punt van de neus,
gelijkmatig verkleinend via een schuin verlopende, niet scherp gevormde stop
over in het wigvormig verlopende gezichtsdeel (vang) van de kop. Boven en
onderkaak zijn krachtig ontwikkeld. De neusrug is recht, een dip of welving is
niet gewenst.De lippen zijn strak, goed sluitend en van donkere kleur.
Neus:
Deze
moet zwart zijn.
Gebit:
Het
gebit: moet krachtig, gezond en volledig zijn (42 tanden volgens de
tandformule). De Duitse Herdershond heeft een schaargebit, dat wil zeggen dat
de snijtanden als een schaar in elkaar moeten grijpen, waarbij de snijtanden
van de bovenkaak als een schaar over die van de onderkaak snijden.
Tanggebit, boven voor- en onder voorbijten is foutief, evenals grotere
tussenruimtes tussen de tanden (plaatsing met leemten).
Foutief is eveneens een recht vlak van de snijtanden. De kaakbeenderen moeten
krachtig ontwikkeld zijn opdat de tanden diep in het tandbeen ingeworteld
kunnen zijn.
Ogen:
De
ogen zijn middelgroot, amandelvormig, iets schuin liggend en niet uitpuilend.
De kleur van de ogen moet zo donker mogelijk zijn. Lichte, priemende ogen zijn
niet gewenst, aangezien ze afbreuk doen aan de uitdrukking van de hond.
Oren:
De
Duitse Herdershond heeft staande oren van middelmatige grootte, die rechtop en
gelijk gericht gedragen worden (niet zijwaarts getrokken). Ze lopen spits uit
en zijn met de oorschelp naar voren gericht. Tip- en hangoren zijn foutief. In
beweging of in rusttoestand naar achteren gericht gedragen oren zijn niet
foutief.
Hals:
De
hals moet krachtig, goed gespierd en zonder losse keelhuid zijn. De hoek ten
opzichte van de romp (een horizontale lijn) bedraagt ongeveer 45%.
Lichaam:
De
bovenbelijning verloopt, zonder een zichtbare onderbreking, vanaf de halsaanzet
over de goed ontwikkelde schoft en over de, ten opzichte van een horizontale
lijn, heel licht afvallende rug tot aan de licht afvallende croupe.
De rug is vast, krachtig en goed gespierd.
De lendenen zijn breed, krachtig gevormd en goed gespierd.
De croupe moet lang en licht afvallend zijn (ongeveer 23% ten opzichte van een
horizontale lijn) en zonder onderbreking van de bovenbelijning overgaan in de
staartaanzet.
De borst moet matig breed zijn, de onderborst zo lang mogelijk en uitgesproken.
De borstdiepte moet ongeveer 45 tot 48% van de schofthoogte bedragen.
De ribben behoren een matige welving te tonen, een tonvormige borst is net zo
foutief als vlakke ribben.
De staart reikt minstens tot aan het spronggewricht, evenwel niet over het
midden van de achtervoet. Ze is aan de onderzijde iets langer behaard en wordt
in een licht afhangende boog gedragen, waarbij ze in opwinding en bij beweging
meer opgeheven gedragen wordt, evenwel niet boven de ruglijn. Operatieve
correcties zijn verboden.
Voorhand:
De
voorste ledematen zijn van alle zijden bezien recht en van voren bezien
absoluut parallel. Schouderblad en opperarmbeen zijn van gelijke lengte en door
middel van krachtige bespiering vast tegen het lichaam gelegen. De hoeking van
schouderblad en opperarm bedraagt in het ideale geval 90%, doorgaans tot 110%.
De ellebogen mogen noch in stand noch in de beweging uitgedraaid worden en
evenmin naar binnen gedrukt zijn. De onderarmen zijn van alle zijden bezien
recht en absoluut parallel staande ten opzichte van elkaar, droog en vast
gespierd. De voormiddenvoet heeft een lengte van ongeveer eenderde van de
onderarm en heeft een hoeking met deze van ongeveer 20% tot 22%. Zowel een te
schuin staande voormiddenvoet (meer dan 22%) als een te steil staande
voormiddenvoet (minder dan 22%) beïnvloeden de gebruiksgeschiktheid, in het
bijzonder het uithoudingsvermogen.
De poten zijn rond, goed gesloten en gewelfd. De voetzolen zijn hard maar niet
bros. De nagels zijn krachtig en van donkere kleur.
Achterhand.
de
plaatsing van de achterpoten is licht terugstaand, waarbij de achterste
ledematen van achteren bezien parallel ten opzichte van elkaar staan. Boven- en
onderschenkel zijn van ongeveer gelijke lengte en vormen een hoek van ongeveer
120%.
De dijen zijn krachtig en goed gespierd. De spronggewrichten zijn krachtig
gevormd en vast. De achtermiddenvoet staat loodrecht onder het spronggewricht.
De voeten/tenen zijn gesloten, licht gewelfd, de zolen hard en van donkere
kleur, de nagels krachtig, gewelfd en eveneens donker van kleur.
Gangwerk:
De
Duitse Herdershond is een draver. De ledematen moeten in lengte en hoekingen zo
op elkaar afgestemd zijn dat zij, zonder wezenlijke verandering van de
rugbelijning, de achterhand tot aan de romp verplaatsen kunnen en met de
voorhand net zo ver kunnen uitgrijpen.
Iedere neiging tot overhoeking van de achterhand vermindert de vastheid en het
uithoudingsvermogen en daarmee de gebruikswaarde. Bij correcte verhoudingen in
de bouw en hoekingen is een ruim uitgrijpend, vlak over de bodem gaand gangwerk
mogelijk, dat de indruk geeft van voorwaarts gerichte, moeiteloze bewegingen.
Bij een naar voren geschoven hoofd en licht opgeheven staart ziet men bij een
gelijkmatige en rustige draf een vanaf de oorpunten over de nek en de rug tot
aan de punt van de staart licht gebogen en niet onderbroken rugbelijning.
Huid:
De
huid is (los) aanliggend zonder evenwel plooien te vormen.
Beharing:
Gesteldheid
van het haar: De correcte beharing van de Duitse Herdershond is het stokhaar
met onderwol. Het dekhaar moet zo mogelijk dicht, op correcte wijze hard en
vast aanliggend zijn. Aan de kop is het haar, met inbegrip van de binnenzijde
van de oren, aan de voorzijde van de ledematen, op poten en tenen, kort en aan
de hals wat langer en sterker behaard. Aan de achterzijde van de benen is het
haar langer tot aan het polsgewricht. Aan de achterzijde van de dijen vormt het
een matige broek.
Kleuren:
Zwart
met roodbruine, bruine, gele tot helgrauwe aftekening, éénkleurig zwart en
grauw, bij grauw donker gewolkt, zwart zadel en masker.
Onopvallende, kleine witte borstvlekken evenals zeer lichte binnenzijde zijn
toegelaten maar niet gewenst.
De neusspiegel moet bij alle kleurslagen zwart zijn. Ontbrekend masker, lichte
tot priemende oogkleur evenals lichte tot witachtige aftekening aan borst en
binnenzijden, lichte nagels en rode staartpunt duiden op pigmentzwakte.
De onderwol vertoont een lichte grauwe tint. De kleur wit is niet toegelaten.
Grootte
en gewicht:
Reuen:
schofthoogte 60 tot 65 cm. gewicht 30 tot 40 kg.
Teven: schofthoogte 55 tot 60 cm. gewicht 22 tot 32 kg.
Testikels:
Reuen
behoren twee duidelijke, normaal ontwikkelde testikels te hebben, die zich
volledig in het scrotum bevinden.
Fouten:
Iedere
afwijking van de in de voorgaande genoemde punten, moet als fout aangemerkt
worden, waarbij de waardering in juiste verhouding met de graad van de
afwijking behoort te staan.
Ernstige
fouten:
Afwijkingen
van de eerder genoemde raspunten, welke de gebruiksgeschiktheid benadelen.
Oorfouten: Zijwaartse te diep aangezette oren, tiporen, te eng naar binnen
gestelde oren (Schildspanner), niet vaste oren.
Ernstige pigmentfouten.
Ernstige nalatende vastheid van het gehele lichaam.
Tandfouten: Alle afwijkingen van het schaargebit en de tandformule, voorzover
het niet om uitsluitende fouten (zie onderstaand) gaat.
Uitsluitende
fouten:
Karakterzwakke,
bijterige en zenuwzwakke honden.
Honden met vastgestelde "ernstige H.D"
Monorchide en kryptorchide reuen of met duidelijke ongelijke of niet
ontwikkelde teelballen.
Honden met fouten die de oren en staart misvormen.
Honden met misvormingen
Honden met tandgebreken door het missen van: 1 x Premolaar 3 en een verdere
tand, of l x Hoektand, of 1 x Premolaar 4, of l x Molaar 1, resp. Molaar 2, of
in totaal 3 tanden of meer.
Honden met kaakfouten: Bovenover- of ondervoorbijten van 2 mm. of meer.
Tanggebit (van alle snijtanden).
Honden die meer dan 1 cm. te groot of te klein zijn.
Albino's.
De haarkleur wit (ook bij donkere ogen en nagels).
Langstokhaar (lang, zacht niet vast aangesloten dekhaar met onderwol,
waaiers/pluimen aan oren en benen, zeer vol behaarde staart met waaiervorming
naar beneden).
Langhaar (lang, zacht haar zonder onderwol, meestal op het midden van de rug
gescheiden, waaiers/pluimen aan de oren, benen en staart).